ECLI:NL:RVS:2018:4312

Raad van State

Datum uitspraak
27 december 2018
Publicatiedatum
28 december 2018
Zaaknummer
201809772/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake verblijfsvergunning

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris dit ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De vreemdeling stelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitspraak van de rechtbank niet inhoudt dat de vergunning moet worden verleend en dat uitvoering van de uitspraak geen onherstelbare gevolgen heeft of onevenredige inspanning vergt van de staatssecretaris. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor de staatssecretaris de uitspraak van de rechtbank moet uitvoeren tijdens het hoger beroep.

Uitspraak

201809772/2/V1.
Datum uitspraak: 27 december 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 november 2018 in zaken nrs. 18/2088 en 18/2089 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 8 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 16 maart 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 november 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank.
2.    Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de aangevallen uitspraak er niet toe strekt dat de staatssecretaris de gevraagde vergunning moet verlenen. Uitvoering van de uitspraak leidt dus niet tot gevolgen die zich slechts bezwaarlijk laten herstellen. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uitvoering van de uitspraak van de staatssecretaris geen onevenredige inspanning vergt.
3.    Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
4.    Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Schuurman
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018
282-887.