ECLI:NL:RVS:2018:4313
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake machtiging tot voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 september 2016 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 2 november 2017 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling op 15 november 2018 gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en dat de belangen van beide partijen in aanmerking genomen moesten worden.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris geen nieuw besluit op het bezwaar hoeft te nemen voordat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft geen nieuw besluit te nemen totdat het hoger beroep is beslist.