AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet ongegrond verklaard tegen vereenvoudigde behandeling hoger beroep bestuursrecht
De zaak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 21 september 2017, waarin het hoger beroep van opposant kennelijk ongegrond werd verklaard na vereenvoudigde behandeling. De Afdeling oordeelde dat opposant in hoger beroep slechts de gronden herhaalde die reeds bij de rechtbank waren aangevoerd en niet had toegelicht waarom de overwegingen van de rechtbank onjuist of onvolledig waren.
Opposant stelde in verzet dat hij wel degelijk had toegelicht waarom de rechtbank onjuist had gehandeld, met name omdat de rechtbank de motivering van de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten had gevolgd en een onjuiste uitleg van de wet- en regelgeving hanteerde. De Afdeling verduidelijkte dat verzet ex artikel 8:55 AwbPro alleen ziet op de vraag of de vereenvoudigde behandeling terecht was toegepast wegens kennelijke ongegrondheid.
De Afdeling concludeerde dat de aangevoerde argumenten in verzet niet leidden tot twijfel over de uitspraak van 21 september 2017. Het algemene betoog dat de rechtbank onjuist had gehandeld en de wet verkeerd had toegepast, zonder concrete motivering, was onvoldoende. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet van opposant tegen de vereenvoudigde behandeling van zijn hoger beroep is ongegrond verklaard.
Uitspraak
201700948/3/A3.
Datum uitspraak: 28 februari 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 vanPro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van:
[opposant], wonend te [woonplaats] (Duitsland),
opposant,
tegen de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2017 in zaak nr. 201700948/2/A3.
Procesverloop
Bij uitspraak van 21 september 2017 in zaak nr. 201700948/2/A3, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [opposant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2017, verzet gedaan.
De Afdeling heeft het verzet ter zitting behandeld op 16 februari 2018, waar [opposant], vertegenwoordigd door mr. S.T. Blom, advocaat te Amsterdam, is verschenen.
Overwegingen
1. In de uitspraak waarvan verzet, heeft de Afdeling het hoger beroep van [opposant] kennelijk ongegrond verklaard, omdat hij als gronden van zijn hoger beroep de gronden die hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd, heeft herhaald. De Afdeling heeft overwogen dat de rechtbank in de overwegingen van de uitspraak van 23 december 2016 is ingegaan op die gronden. In hoger beroep heeft [opposant] niet uiteengezet, dat en waarom de desbetreffende overwegingen onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde geeft derhalve geen aanleiding om die uitspraak te vernietigen, zo heeft de Afdeling geoordeeld.
2. [opposant] voert in verzet aan dat hij in hoger beroep wel degelijk uiteen heeft gezet, dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist, dan wel onvolledig zijn. De gronden van zijn hoger beroep vertonen grote gelijkenis met de gronden van het beroep, omdat de rechtbank de motivering van de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: de Algemene Raad) in zijn besluit van 25 januari 2016 heeft gevolgd. De uitspraak van de rechtbank is volgens [opposant] onjuist, omdat die ten onrechte de door de Algemene Raad aangevoerde gronden volgt en een onjuiste uitleg van de toepasselijke wet- en regelgeving hanteert.
2.1. Verzet als bedoeld in artikel 8:55 vanPro de Awb, gaat uitsluitend over de vraag, of de Afdeling ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling, dat wil zeggen zonder [opposant] op zitting te horen, is overgegaan wegens de - in dit geval - kennelijke ongegrondheid van het hoger beroep. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat omtrent de uitkomst. Zo ja, dan dient de verzetrechter het verzet gegrond te verklaren opdat nader onderzoek kan plaatsvinden.
2.2. Hetgeen [opposant] heeft aangevoerd, leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de uitspraak van 21 september 2017, waarvan verzet. De rechtbank is in haar uitspraak van 23 december 2016 gemotiveerd ingegaan op de beroepsgronden die [opposant] heeft aangedragen. In hoger beroep is, met het nagenoeg letterlijk herhalen van de gronden uit het beroepschrift niet gemotiveerd uiteengezet waarom de overwegingen van de rechtbank onjuist zouden zijn. Voor zover [opposant] meent dat de gronden van zijn hoger beroep grote gelijkenis vertonen met de gronden van het beroep omdat de rechtbank de Algemene Raad in zijn standpunten heeft gevolgd, had het op [opposant]s weg gelegen om te motiveren waarom de rechtbank dat ten onrechte heeft gedaan. Het algemene betoog in het verzetschrift dat de overwegingen van de rechtbank niet juist zijn en dat de toepasselijke wet- en regelgeving onjuist wordt toegepast, is onvoldoende. Het vorenstaande biedt derhalve geen grond voor het oordeel dat de Afdeling ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling van het hoger beroep is overgegaan.
Hetgeen [opposant] in verzet heeft aangevoerd, slaagt niet.
3. Het verzet is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.