ECLI:NL:RVS:2018:446

Raad van State

Datum uitspraak
8 februari 2018
Publicatiedatum
9 februari 2018
Zaaknummer
201800011/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8:54 AwbArt. 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten wegens gebrek in besluit overdracht vreemdeling

De staatssecretaris heeft bij besluit van 22 november 2017 aan de vreemdeling medegedeeld dat hij aan Italië zal worden overgedragen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde op 28 december 2017. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat het besluit een gebrek vertoonde omdat de vreemdeling niet in de gelegenheid was gesteld zijn zienswijze op het voornemen in te dienen. Dit gebrek werd door de rechtbank gepasseerd zonder de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten, hetgeen onjuist was. De Raad van State vernietigt daarom dit deel van de uitspraak en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten.

Voor het overige wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hoger beroep wordt kennelijk gegrond verklaard en de staatssecretaris moet een bedrag van €1.002,00 aan proceskosten vergoeden, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt het deel van de uitspraak waarin geen proceskostenveroordeling is uitgesproken en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van €1.002,00 aan proceskosten.

Uitspraak

201800011/1/V3.
Datum uitspraak: 8 februari 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 december 2017 in zaak nr. NL17.13702 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling medegedeeld dat hij aan Italië zal worden overgedragen.
Bij uitspraak van 28 december 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij brief heeft de vreemdeling het hoger beroep nader aangevuld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdeling klaagt dat de rechtbank bij het geven van toepassing aan artikel 6:22 van Pro de Awb de staatssecretaris ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem gemaakte proceskosten.
1.1.    De rechtbank heeft overwogen dat een gebrek kleeft aan het besluit, nu de vreemdeling niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze op het voornemen in te dienen. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd, maar heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Gelet op dit gebrek, had zij de staatssecretaris moeten veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten.
De grief slaagt.
2.    Hetgeen voor het overige in hoger beroep is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.
4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 december 2017 in zaak nr. NL17.13702, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Van der Wiel    w.g. Vonk
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2018
345-841.