ECLI:NL:RVS:2018:446
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten wegens gebrek in besluit overdracht vreemdeling
De staatssecretaris heeft bij besluit van 22 november 2017 aan de vreemdeling medegedeeld dat hij aan Italië zal worden overgedragen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde op 28 december 2017. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat het besluit een gebrek vertoonde omdat de vreemdeling niet in de gelegenheid was gesteld zijn zienswijze op het voornemen in te dienen. Dit gebrek werd door de rechtbank gepasseerd zonder de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten, hetgeen onjuist was. De Raad van State vernietigt daarom dit deel van de uitspraak en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten.
Voor het overige wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hoger beroep wordt kennelijk gegrond verklaard en de staatssecretaris moet een bedrag van €1.002,00 aan proceskosten vergoeden, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het deel van de uitspraak waarin geen proceskostenveroordeling is uitgesproken en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van €1.002,00 aan proceskosten.