ECLI:NL:RVS:2018:578
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onbevoegdheid college tot handhaving tegen gebruik cacaofabriek in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Wormerland wees het verzoek van appellant af om handhavend op te treden tegen Cargill vanwege het gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Het betrof het gebruik van een fabriekshal op de Schipperlocatie, die volgens appellant niet onder de verleende bouwvergunning viel. De rechtbank oordeelde dat het college terecht onbevoegd was omdat impliciet vrijstelling was verleend bij het besluit van 13 november 2007.
Appellant stelde in hoger beroep dat de bouwvergunning niet zag op de fabriekshal op de Schipperlocatie, maar de Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat uit de aanvraag, situatietekening, bouwtekeningen en adviezen blijkt dat de vergunning wel degelijk de fabriekshal betrof. De eerdere uitspraak van de rechtbank in een andere zaak over planschade was niet relevant voor de vraag naar vrijstelling.
De Afdeling concludeerde dat voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de fabriekshal impliciete vrijstelling is verleend en het college daarom onbevoegd is om handhavend op te treden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het college onbevoegd is tot handhaving wegens impliciete vrijstelling.