ECLI:NL:RVS:2018:584
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over toeslagpartner en zakelijke huurwoning niet aangetoond
Appellant ontving in 2014, 2015 en 2016 zorgtoeslag en kindgebonden budget. De Belastingdienst stelde vast dat appellant en zijn nicht op hetzelfde adres stonden ingeschreven en kwalificeerde haar als toeslagpartner, waardoor haar inkomen bij het toetsingsinkomen werd betrokken. Appellant voerde aan dat hij een gedeelte van de woning op zakelijke gronden aan zijn nicht verhuurde, wat een uitzondering op de partnerregeling vormt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij onvoldoende bewijs leverde dat sprake was van zakelijke huur. In hoger beroep stelde appellant dat hij met huurovereenkomsten had aangetoond dat de huur op zakelijke gronden plaatsvond. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de schriftelijke overeenkomst pas vanaf mei 2016 bestond en dat daarvoor slechts een mondelinge overeenkomst was, wat onvoldoende is. Ook de overgelegde kwitanties van huurbetalingen waren onvoldoende bewijs.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.