ECLI:NL:RVS:2018:629

Raad van State

Datum uitspraak
22 februari 2018
Publicatiedatum
23 februari 2018
Zaaknummer
201800550/1/V2 en 201800550/3/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 85 Vw 2000Art. 91 Vw 2000Art. 92 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en weigering uitstel van vertrek

Bij besluit van 15 december 2017 wees de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en weigerde uitstel van vertrek. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, dat op 11 januari 2018 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter stelde bij ordemaatregel vast dat de voorgenomen uitzetting op 22 januari 2018 niet mocht plaatsvinden, omdat de vreemdeling in een detentiecentrum verbleef en daardoor geen toegang had tot de rechter. De staatssecretaris erkende dit en gaf aan dat een protocol wordt opgesteld om dit in de toekomst te voorkomen.

In het hoger beroep oordeelde de Raad van State dat de aangevoerde gronden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 250,50, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

201800550/1/V2 en 201800550/3/V2.
Datum uitspraak: 22 februari 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 11 januari 2018 in zaak nr. NL17.15173 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, en geweigerd haar krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen.
Bij uitspraak van 11 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, thans vertegenwoordigd door mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Ambtshalve overwegingen
1.    Bij uitspraak van 22 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:193, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel bepaald dat de voor die dag voorgenomen uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de vreemdeling, die op last van de staatssecretaris in een detentiecentrum moet verblijven, de mogelijkheid is ontnomen om haar voorgenomen uitzetting door een rechter op rechtmatigheid te laten onderzoeken.
1.1.    Desgevraagd heeft de staatssecretaris nadere inlichtingen verstrekt. Hij heeft toegelicht dat het een vreemdeling wiens vrijheid is ontnomen of beperkt vrij staat om een verzoek om een voorlopige voorziening naar de voorzieningenrechter te sturen, ook buiten een gemachtigde om. De Dienst Justitiële Inrichtingen voert ook geen beleid dat haar medewerkers verbiedt een dergelijk verzoek aan de voorzieningenrechter door te zenden. In dit geval is de vreemdeling daarom ten onrechte de mogelijkheid onthouden om zich schriftelijk tot de voorzieningenrechter te wenden. De staatssecretaris heeft toegezegd dat binnen de Dienst Justitiële Inlichtingen een protocol zal worden opgesteld om herhaling hiervan te voorkomen.
1.2.    De voorzieningenrechter acht met deze toezeggingen gewaarborgd dat ook voor vreemdelingen van wie op gezag van de staatssecretaris hun vrijheid is ontnomen of beperkt, in algemene zin de toegang tot de bestuursrechter is verzekerd.
In het hoger beroep
2.    Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
3.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
5.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    wijst het verzoek af;
III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 250,50 (zegge: tweehonderdvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.R.M. Brouwer, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Brouwer
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2018
791.