ECLI:NL:RVS:2018:695
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening toeslagvoorschotten wegens niet-rechtmatig verblijf partner
De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij besluit van 21 november 2015 de voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag voor de periode februari tot en met september 2015 aan appellant herzien en vastgesteld op nihil. Dit omdat de partner van appellant vanaf 3 januari 2015 niet rechtmatig in Nederland verbleef, na intrekking van haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht.
Appellant stelde dat de herziening in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en dat hij op het moment van uitbetaling recht had op de voorschotten. Hij verwees naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over terugvordering van bijstand en stelde dat de rechtbank ten onrechte de Belastingdienst had gevolgd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Belastingdienst zich terecht baseerde op de gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en dat de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht het rechtmatig verblijf van de partner heeft doen vervallen. Hierdoor was de nihilstelling van de voorschotten terecht op grond van artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
De Afdeling verwierp het beroep van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat appellant rekening had moeten houden met een mogelijke herziening. De door appellant aangehaalde jurisprudentie was niet van toepassing op deze toeslagregeling.
De Afdeling stelde dat de toekenning van toeslagen niet het bestaansminimum waarborgt, anders dan bij bijstand, en dat de Belastingdienst de voorschotten terecht had herzien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de herziening van de toeslagvoorschotten terecht is vastgesteld op nihil vanwege het niet-rechtmatig verblijf van de partner van appellant.