ECLI:NL:RVS:2018:743
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- J.W. van de Gronden
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning uitbreiding kelder te Hilversum
Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum verleende op 24 april 2012 een omgevingsvergunning aan belanghebbende voor het vergroten van een woonhuis met een aanbouw en het uitbreiden van een kelder op een perceel te Hilversum. Appellant, wonend op een aangrenzend perceel, maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat de bouw in strijd was met de vergunning en niet voldeed aan het Bouwbesluit.
Na eerdere procedures en een vernietiging door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, werd het besluit van het college van 13 oktober 2016 opnieuw bestreden door appellant. Hij voerde aan dat zowel het Bouwbesluit 2003 als 2012 van toepassing moesten zijn en dat de constructie van de kelder niet voldeed aan de eisen, onder meer wegens het ontbreken van een wapeningsnet in de bestaande muur.
De Afdeling oordeelde dat het Bouwbesluit 2003 van toepassing is omdat de aanvraag vóór de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 was ingediend. Het college had voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitbreiding aan het Bouwbesluit 2003 voldeed, mede doordat de ongewapende kelderwand was versterkt met een voorzetmuur met wapeningsnet en beton. De stellingen van appellant dat de kelderwand lek zou zijn of dat de wapening onvoldoende zou zijn, waren niet aannemelijk gemaakt.
De Afdeling stelde vast dat de aangevoerde gebreken en afwijkingen niet in deze procedure aan de orde konden komen omdat het hier ging om de rechtmatigheid van het besluit tot vergunningverlening en niet om handhaving. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot handhaving van de omgevingsvergunning voor de kelderuitbreiding wordt ongegrond verklaard.