ECLI:NL:RVS:2018:765
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing inzage persoonsgegevens AIVD op grond van de Wiv
De appellant verzocht de minister om inzage in bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) aanwezige persoonsgegevens. De minister weigerde inzage in actuele gegevens en verstrekte slechts een deel van de niet-actuele gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de minister voldoende had gemotiveerd en dat geheimhouding noodzakelijk is voor de taakuitoefening van de AIVD.
In hoger beroep betoogde appellant dat sommige gegevens niet geheim konden zijn omdat derden al kennis hadden genomen, en dat er meer documenten moesten zijn dan verstrekt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister terecht inzage in actuele gegevens weigerde vanwege nationale veiligheid en dat het beroep op geheimhouding ook standhoudt als derden kennis hebben genomen.
De Afdeling stelde echter vast dat de minister in zijn besluit van 14 april 2016 niet zorgvuldig had gemotiveerd waarom sommige niet-actuele documenten niet werden verstrekt, terwijl hij in een nadere schriftelijke uiteenzetting wel acht documenten deels had vrijgegeven. Daarom vernietigde de Afdeling het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen met een deugdelijke motivering. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de minister wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen met een deugdelijke motivering.