ECLI:NL:RVS:2018:775

Raad van State

Datum uitspraak
7 maart 2018
Publicatiedatum
7 maart 2018
Zaaknummer
201708030/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:105 AwbArt. 6:15 AwbArt. 8:114 AwbArt. 3 Kaderwet SZW-subsidiesArt. 5 Kaderwet SZW-subsidies
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring Afdeling bestuursrechtspraak inzake scholingsvoucher hoger beroep

Appellant heeft bij het UWV een aanvraag ingediend voor een scholingsvoucher voor een masteropleiding Animal Sciences met als doel zich om te scholen tot vertegenwoordiger agrarische producten, een kansberoep. Het UWV wees de aanvraag af omdat de opleiding niet aansluit op de functie-inhoud van het kansberoep. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank Gelderland. Deze verklaarde het beroep ongegrond. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling onderzocht haar bevoegdheid om kennis te nemen van het hoger beroep. De Regeling waarop het besluit is gebaseerd, berust op bepalingen uit de Kaderwet SZW-subsidies en de Wet SUWI. De Kaderwet SZW-subsidies wordt niet genoemd in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, wat duidt op bevoegdheid van de Afdeling. De Wet SUWI staat echter wel vermeld, wat de Centrale Raad van Beroep bevoegd maakt. Gezien de aard van het besluit en de jurisprudentie acht de Afdeling zich onbevoegd.

De Afdeling besluit het hoger beroep door te zenden aan de Centrale Raad van Beroep die de zaak met voorrang zal behandelen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en het betaalde griffierecht wordt aan appellant terugbetaald. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer, in aanwezigheid van de griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018.

Uitkomst: Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd en zendt het hoger beroep door aan de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak

201708030/1/A2.
Datum uitspraak: 7 maart 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 juni 2017 in
zaak nr. 16/7760 in het geding tussen:
[appellant]
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2016 heeft het UWV een aanvraag van [appellant] om een scholingsvoucher op grond van de Tijdelijke regeling subsidie scholing richting een kansberoep (hierna: de Regeling) afgewezen.
Bij besluit van 23 november 2016 heeft het UWV het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het UWV heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.M.M. Menting, advocaat te Venlo, en het UWV, vertegenwoordigd door mr. D. de Jong, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.    [appellant] heeft een scholingsvoucher aangevraagd bij het UWV voor de master Animal Sciences aan Wageningen University om zich om/bij te scholen tot het kansberoep ‘vertegenwoordiger agrarische producten’. Zijn aanvraag is afgewezen omdat de opleiding volgens het UWV niet aansluit op de functie-inhoud van dit beroep en daarmee geen scholing is die leidt richting een kansberoep.
Bevoegdheid
2.    Artikel 8:105, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt als volgt: "Het hoger beroep wordt ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij een andere hogerberoepsrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift."
3.    De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) dan wel de Afdeling op het hoger beroep dient te beslissen.
Uit de aanhef van de Regeling en de toelichting daarop volgt dat deze enerzijds op de artikelen 3 en 5 van Kaderwet SZW-subsidies en anderzijds op artikel 32d, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: de Wet SUWI) berust. De artikelen 3 en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies staan niet vermeld in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb), hetgeen op grond van artikel 8:105 van Pro de Awb zou betekenen dat de Afdeling bevoegd zou zijn van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen. De Wet SUWI staat echter vermeld in artikel 9 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, hetgeen zou betekenen dat de CRvB bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige hoger beroep. Nu het bestreden besluit zich naar onderwerp en strekking niet onderscheidt van door het UWV genomen besluiten ter zake waarvan de CRvB het hoger beroep behandelt, is de Afdeling van oordeel dat zij onbevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen. Het hogerberoepschrift zal met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Awb ter behandeling worden doorgezonden aan de CRvB, die de zaak met voorrang zal behandelen.
Slotsom
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5.    Toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb brengt met zich dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetaalt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, griffier.
w.g. Lubberdink    w.g. Fenwick
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018
608.