ECLI:NL:RVS:2018:798

Raad van State

Datum uitspraak
8 maart 2018
Publicatiedatum
9 maart 2018
Zaaknummer
201708213/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • H.G. Lubberdink
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:56 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens schending hoor en wederhoor in asielzaak

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden doordat hij niet was uitgenodigd voor de zitting, waardoor hij zijn beroep niet kon toelichten.

De Raad van State constateerde dat er geen bewijs was dat de uitnodiging voor de zitting van 10 juli 2017 daadwerkelijk was verzonden, noch dat de vreemdeling op andere wijze was uitgenodigd. Hierdoor was niet voldaan aan artikel 8:56 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wat betekende dat de vreemdeling niet de mogelijkheid had gekregen zijn beroep toe te lichten.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor nieuwe behandeling met inachtneming van het hoor en wederhoor. Tevens stelde de Raad de proceskosten in hoger beroep vast op € 501,00 en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding daarvan beslist.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe behandeling met inachtneming van hoor en wederhoor.

Uitspraak

201708213/1/V2.
Datum uitspraak: 8 maart 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 september 2017 in zaak nr. 17/2825 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 september 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Haanstra, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep ongegrond heeft verklaard, nu zij het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door na te laten hem uit te nodigen voor de zitting van 10 juli 2017. Omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn beroep toe te lichten, is hij in zijn belangen geschaad, aldus de vreemdeling.
1.1.    In het rechtbankdossier bevindt zich een kopie van de brief van de rechtbank van 11 mei 2017 aan de gemachtigde van de vreemdeling, waarin deze wordt uitgenodigd de behandeling van het beroep van de vreemdeling ter zitting op 10 juli 2017 bij te wonen. Op de kopie is aangekruist dat de brief aangetekend per post wordt verzonden. Uit de kopie blijkt niet dat de brief daadwerkelijk is verzonden.
Voorts blijkt uit de stukken in het rechtbankdossier, zoals ook overgelegd door de vreemdeling, dat de gemachtigde van de vreemdeling op 19 september 2017 aan de rechtbank te kennen heeft gegeven dat hij geen uitnodiging voor de zitting van 10 juli 2017 heeft ontvangen. Uit het antwoord van de rechtbank, bij brief van 21 september 2017, blijkt niet dat de uitnodiging daadwerkelijk is verzonden. Evenmin heeft de rechtbank enig objectief bewijs van verzending overgelegd.
In de aangevallen uitspraak is vermeld dat de vreemdeling en zijn gemachtigde zonder voorafgaande kennisgeving niet op de zitting van de rechtbank zijn verschenen. Nu niet is gebleken dat de uitnodiging voor die zitting daadwerkelijk bij brief is verstuurd en uit de stukken niet blijkt dat de vreemdeling op andere wijze is uitgenodigd, moet het ervoor worden gehouden dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan zonder dat was voldaan aan het bepaalde in artikel 8:56 van Pro de Awb, waardoor de vreemdeling niet de gelegenheid heeft gehad om zijn beroep ter zitting bij de rechtbank toe te lichten.
De grief slaagt.
2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
3.    De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 september 2017 in zaak nr. 17/2825;
III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.    stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Van de Sluis
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2018
802.