ECLI:NL:RVS:2018:921

Raad van State

Datum uitspraak
16 maart 2018
Publicatiedatum
19 maart 2018
Zaaknummer
201801561/1/V3 en 201801561/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:8 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:81 AwbArt. 69 Vw 2000Art. 92 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 16 januari 2018 niet in behandeling werd genomen. De rechtbank Den Haag verklaarde het daartegen ingestelde beroep op 8 februari 2018 ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De Raad van State oordeelde dat het hogerberoepschrift niet tijdig was ingediend, aangezien de termijn van een week na verzending van de uitspraak op 13 februari 2018 op 20 februari 2018 was verstreken, terwijl het hogerberoepschrift pas op 22 februari 2018 was ontvangen. De omstandigheid dat de vreemdeling van gemachtigde was gewisseld en de huidige gemachtigde later kennisnam van de uitspraak, rechtvaardigde geen verlenging van de termijn.

Daarom werd het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

201801561/1/V3 en 201801561/2/V3
Datum uitspraak: 16 maart 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2018 in zaak nr. NL18.1097 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij mondelinge uitspraak van 8 februari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, vangt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift aan met ingang van de dag na die, waarop de aangevallen uitspraak op voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.
Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep een week.
2.    De aangevallen uitspraak is verzonden op 13 februari 2018, zodat de termijn voor het instellen van hoger beroep op 20 februari 2018 is geëindigd. Het hogerberoepschrift is op 22 februari 2018 bij faxbericht verzonden en bij de Raad van State ingekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift derhalve niet tijdig ingediend. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door de vreemdeling gestelde omstandigheid dat hij in hoger beroep van gemachtigde is gewisseld en zijn huidige gemachtigde binnen zeven dagen nadat deze - via de toenmalige gemachtigde en hem - heeft kennisgenomen van de uitspraak, hoger beroep heeft ingesteld. Niet in geschil is dat op het moment dat de vreemdeling van gemachtigde wisselde, de aangevallen uitspraak reeds in het openbaar was uitgesproken en het proces-verbaal van de uitspraak door de rechtbank aan de toenmalige gemachtigde van de vreemdeling was toegezonden. Dat deze het proces-verbaal van de uitspraak vervolgens niet aan de huidige gemachtigde heeft doorgezonden, komt voor risico van de vreemdeling. Dit kan er dan ook niet toe leiden dat hij niet in verzuim is.
3.    Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.    wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Snijders
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2018
722