ECLI:NL:RVS:2018:950
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergunning gastouderopvang ondanks bezwaar over woonmilieu
Het college van burgemeester en wethouders van Werkendam verleende op 4 mei 2015 een omgevingsvergunning voor het vestigen van een gastouderopvang aan huis op een perceel met de bestemming 'wonen'. [Appellant] maakte bezwaar tegen deze vergunning vanwege mogelijke onevenredige hinder voor het woonmilieu en strijd met het bestemmingsplan, maar het college en de rechtbank verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde [appellant] dat het college ten onrechte artikel 4, lid 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) had toegepast, dat volgens hem alleen betrekking heeft op logies voor werknemers of opvang van vreemdelingen buiten de bebouwde kom. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat dit artikel ook binnen de bebouwde kom van toepassing is en dat het college bevoegd was de vergunning te verlenen.
Verder stelde [appellant] dat het college onvoldoende rekening had gehouden met de hinder voor het woonmilieu. De Afdeling overwoog dat het college een belangenafweging had gemaakt waarbij de beperkte omvang van de opvang (maximaal zes kinderen) was meegewogen en dat het college redelijkerwijs de geluidsbelasting kon vergelijken met die van een gezin met zes kinderen. Ook de beperkende voorwaarden van de vergunning en de inspanningen van de vergunninghouder om overlast te beperken werden meegewogen.
De Afdeling concludeerde dat het college in redelijkheid tot vergunningverlening had kunnen overgaan en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor de gastouderopvang blijft in stand.