201806167/1/A2.
Datum uitspraak: 3 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 juni 2018 in zaak nr. 17/3373 in het geding tussen:
[appellant]
en
de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2017 heeft de CSG een aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds) afgewezen.
Bij besluit van 3 november 2017 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat te Best, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van de Weert, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 26 juni 2017 heeft [appellant] bij de CSG een aanvraag ingediend om een uitkering uit het schadefonds. Hij heeft in het aanvraagformulier vermeld dat hij op 20 juni 2017 slachtoffer is geworden van mishandeling en dat hij als gevolg daarvan zowel lichamelijk letsel, bestaande uit een hersenschudding en pijnklachten aan knie, elleboog, hand en rug, als psychisch letsel, bestaande uit slaapklachten, heeft opgelopen.
2. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven is bepaald dat uit het schadefonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
3. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag heeft de CSG ten grondslag gelegd dat [appellant] geen ernstig letsel, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven, heeft opgelopen. Daartoe heeft de CSG in het besluit van 3 november 2017 onder meer het volgende uiteengezet.
[appellant] heeft ter onderbouwing van de ernst van het gestelde letsel een verslag van een huisartsbezoek op 22 juni 2017 overgelegd. In het verslag is vermeld dat [appellant] door de huisarts is onderzocht en dat daarbij is geconcludeerd dat hij een hersenschudding en een kneuzing van knie, elleboog en hand heeft. Verder is in het verslag vermeld dat hij van de huisarts het advies heeft gekregen om rust te nemen en dat hij zich opnieuw op het spreekuur dient te melden als de klachten toenemen of niet verbeteren.
Bij het beoordelen van een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds hanteert de CSG beleid. Dit beleid is neergelegd in de Beleidsbundel en de Letsellijst en te raadplegen op de website van de CSG (www.schadefonds.nl). Volgens de Letsellijst wordt een bloeduitstorting, een verrekking van spieren of een kneuzing niet aangemerkt als ernstig letsel, omdat dit letsel over het algemeen redelijk snel geneest. Ook licht schedel-hersenletsel, bijvoorbeeld na een klap op het hoofd, zonder ziekenhuisopname wordt niet aangemerkt als ernstig letsel.
Uit de door [appellant] overgelegde medische informatie is niet gebleken dat hij na het huisartsbezoek van 22 juni 2017 opnieuw contact heeft gezocht met de huisarts of dat hij is door verwezen naar een medisch specialist, zoals een orthopeed, oogarts of neuroloog voor nader onderzoek, omdat hij bijvoorbeeld langer of meer last bleef houden van de lichamelijke klachten. In de informatie van de huisarts is verder niets vermeld over psychische klachten.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de CSG zich, bij gebrek aan voldoende onderbouwing van de gestelde lichamelijke of geestelijke klachten, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van een ernstig letsel, op grond waarvan hij mogelijk recht had op een uitkering uit het schadefonds. Daartoe voert [appellant] aan dat hij, gezien zijn financiële situatie, geen toegang tot de medische zorg heeft, dat hij zich daardoor niet lichamelijk of psychisch kan laten onderzoeken en dat dit met zich brengt dat hij niet in staat is medische bescheiden over te leggen. Volgens [appellant] was het CSG daarom gehouden om nader onderzoek te verrichten en dit onderzoek te financieren.
4.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:317) valt af te leiden dat [appellant] de bewijslast draagt voor zijn stelling dat hij als gevolg van de gestelde mishandeling op 20 juni 2017 ernstig letsel heeft opgelopen. Niet in geschil is dat [appellant] na het eerste huisartsbezoek op 22 juni 2017 niet naar de huisarts is teruggegaan en niet voor nader onderzoek is doorverwezen naar een medisch specialist, zoals een orthopeed, oogarts of neuroloog, omdat hij last bleef houden van het letsel, zoals omschreven in het verslag van het huisartsbezoek. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van zijn financiële situatie niet meer naar de huisarts kon teruggaan. Of [appellant], naar hij stelt, maar de CSG bestrijdt, als gevolg van zijn financiële situatie feitelijk geen toegang tot de zorg van een medisch specialist had, is bij deze stand van zaken niet van belang. [appellant] heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij die zorg nodig had.
Voorts wordt [appellant] niet gevolgd in het standpunt dat het aan de CSG was om hem tegemoet te komen in de voldoening aan de op hem rustende bewijslast door zelf onderzoek naar de aard en ernst van het gestelde letsel te laten verrichten. [appellant] heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert.
Het betoog faalt.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Michiels w.g. Hazen
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2019
452.