ECLI:NL:RVS:2019:1092
Raad van State
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot beperking kennisneming persoonsgegevens in bestuursrechtelijk geding
De erven van een overleden appellant hebben een brief overgelegd met persoonsgegevens en verzocht dat alleen de Afdeling bestuursrechtspraak kennis zou nemen van deze gegevens, op grond van privacyredenen. De Afdeling heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij een belangenafweging moest plaatsvinden tussen het belang van transparantie voor alle procespartijen en het privacybelang van de erven.
De Afdeling oordeelde dat de brief weliswaar persoonsgegevens bevatte, maar geen bijzondere persoonsgegevens. Volgens de Awb moeten beroepschriften de naam en het adres van de indiener bevatten, zodat het beroep niet anoniem kan worden voortgezet. De Afdeling vond dat het privacybelang van de erven niet zwaarder woog dan het belang van alle partijen om kennis te nemen van de identiteit van de procespartijen.
Daarom werd het verzoek tot beperking van de kennisneming afgewezen. De brief werd teruggezonden aan de erven met het verzoek binnen vijf dagen een ongeschoonde versie van de brief aan de Afdeling en andere partijen toe te sturen. Indien hieraan geen gehoor wordt gegeven, kan de Afdeling gevolgen verbinden aan deze weigering.
Uitkomst: Het verzoek tot beperking van kennisneming van persoonsgegevens in de brief wordt afgewezen.