ECLI:NL:RVS:2019:1123

Raad van State

Datum uitspraak
10 april 2019
Publicatiedatum
10 april 2019
Zaaknummer
201805276/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake handhaving eilandterras en parkeerplaatsen

De zaak betreft een hoger beroep van een pizzeria-eigenaar tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven had aanvankelijk geweigerd handhavend op te treden tegen het innemen van parkeerplaatsen door een eilandterras van de pizzeria. Na bezwaar werd dit besluit herroepen en handhaving bevolen.

De appellant stelde dat het college in strijd handelde met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, omdat vergelijkbare eilandterrassen op andere locaties niet werden aangepakt. De rechtbank oordeelde dat deze situaties niet vergelijkbaar waren, omdat daar geen parkeerplaatsen werden ingenomen en geen verzoek tot handhaving was gedaan.

De Raad van State onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat handhavend optreden in beginsel moet plaatsvinden bij overtreding van wettelijke voorschriften, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Het belang van de wijnwinkel naast de pizzeria bij het behoud van parkeerplaatsen werd meegewogen.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201805276/1/A1
Datum uitspraak: 10 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Eindhoven,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 mei 2018 in zaak nr. 17/3399 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2017 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden met betrekking tot het innemen van parkeerplaatsen ten behoeve van het plaatsen van een eilandterras door [appellant] afgewezen.
Bij besluit van 20 oktober 2017 heeft het college het door [verzoeker] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 7 maart 2017 herroepen.
Bij uitspraak van 17 mei 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en [verzoeker] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. L.F. Portier, advocaat te Eindhoven, het college, vertegenwoordigd door M. Lammerschop en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, advocaat te Zoetermeer, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.    [appellant] is eigenaar van een pizzeria aan de [locatie] in Eindhoven. [verzoeker] heeft een wijnwinkel die naast de pizzeria is gelegen. [verzoeker] heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van het eilandterras van de pizzeria, omdat het eilandterras in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oud Woensel 2012" en twee parkeerplaatsen inneemt, die gebruikt worden door klanten van [verzoeker].
2.    Bij het besluit van 20 oktober 2017 heeft het college het bezwaar van [verzoeker] gegrond verklaard. Het college heeft daarbij het besluit van 7 maart 2017 herroepen en beslist dat handhavend zal worden opgetreden tegen de aanwezigheid van het eilandterras van [appellant].
Beoordeling hoger beroep
3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur. Daartoe voert hij aan dat het college hem aanschrijft, terwijl het tegen eilandterrassen bij de percelen Kruisstraat 63 en 81 die ook in strijd met het bestemmingsplan een parkeerplaats innemen, niet handhavend optreedt.
3.1.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
3.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de gevallen waarnaar [appellant] heeft verwezen niet gelijk zijn aan dat van hem. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat in die andere gevallen geen parkeerplaatsen aanwezig zijn. Dit blijkt ook uit de aanwezigheid van een tegel met de letters "NP". Dat er in het verleden wellicht wel parkeerplaatsen aanwezig waren, doet er niet aan af dat deze er sinds de herinrichting van de straat niet meer zijn op de door [appellant] genoemde locaties. Daarmee zijn de twee gevallen niet gelijk aan dat van [appellant] die met zijn eilandterras wel een parkeervoorziening in beslag neemt. Voorts heeft [verzoeker] een reëel belang bij handhaving, omdat bezoekers van zijn wijnwinkel gebruik maken van de parkeerplaatsen. In de andere gevallen is geen verzoek om handhaving gedaan. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur heeft gehandeld.
Het betoog faalt.
Conclusie
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.
w.g. Borman    w.g. Van Roessel
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2019
457-919.