ECLI:NL:RVS:2019:1146
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- F.D. van Heijningen
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Verrekening subsidie met huurschuld niet toegestaan wegens ontbreken bestuursrechtelijke grondslag
Het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân had aan een kinderopvang subsidies toegekend en bij het vaststellingsbesluit van 30 juni 2016 bepaald dat het nog uit te betalen subsidiebedrag werd verrekend met een openstaande huurschuld van de kinderopvang aan de gemeente. De kinderopvang was op 26 april 2016 failliet verklaard. De rechtbank oordeelde dat de huurschuld een civielrechtelijke vordering is en geen bestuursrechtelijke geldschuld, zodat verrekening op grond van artikel 4:93 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet mogelijk was. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
In hoger beroep stelde het college dat verrekening wel mogelijk was op grond van artikel 53 van Pro de Faillissementswet (Fw), terwijl de curator incidenteel hoger beroep instelde en betoogde dat artikel 4:93 Awb Pro wel van toepassing is, maar dat niet voldaan is aan het vereiste van een wettelijk voorschrift dat verrekening toestaat. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat artikel 4:93 Awb Pro alleen ziet op verrekening tussen bestuursrechtelijke geldschulden en niet op verrekening tussen een bestuursrechtelijke geldschuld en een civielrechtelijke vordering zoals huurpenningen.
De Afdeling bevestigde dat het college niet bevoegd was om bij het subsidievaststellingsbesluit een publiekrechtelijke verrekening toe te passen met de huurschuld. Verrekening op grond van artikel 53 Fw Pro kan niet via een Awb-besluit worden uitgeoefend. De rechtbank heeft het besluit van 30 juni 2016 daarom terecht herroepen voor zover de subsidie is verrekend met de huurschuld. Het hoger beroep van het college en het incidenteel hoger beroep van de curator werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat verrekening van subsidie met huurschuld niet is toegestaan omdat het geen bestuursrechtelijke geldschulden betreft.