AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek wegens niet tijdig indienen tegen rechter in bestuursrechtelijke zaak
Bij brief van 29 maart 2019 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer die de bestuursrechtelijke zaak 201802455/1/A1 behandelde. Dit verzoek kwam binnen op 1 april 2019, terwijl de zitting plaatsvond op 8 maart 2019.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het wrakingsverzoek op 11 april 2019 behandeld, waarbij verzoeker niet aanwezig was. De staatsraad tegen wie het verzoek was gericht, heeft geen gebruik gemaakt van het recht om gehoord te worden.
De Afdeling oordeelde dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend zoals vereist in artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat verzoeker de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gebaseerd reeds kende op de datum van de zitting, had het verzoek direct daarna moeten worden gedaan. Hierdoor kon de Afdeling niet inhoudelijk op het verzoek ingaan en wees zij het af.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is afgewezen wegens niet tijdige indiening.
Uitspraak
201802455/3/A1.
Datum beslissing: 11 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van:
Bij brief van 29 maart 2019, ingekomen bij de Raad van State op 1 april 2019, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. H.G. Lubberdink (hierna: de staatsraad) als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van de zaak met nummer 201802455/1/A1.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op 11 april 2019 ter openbare zitting aan de orde gesteld, waar [verzoeker] niet is verschenen.
De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Beslissing
Bij mondelinge beslissing van 11 april 2019 heeft de Afdeling het verzoek om toepassing van artikel 8:15 vanPro de Awb afgewezen. Daartoe heeft zij het volgende overwogen.
Gronden
1. Artikel 8:15 vanPro de Awb luidt: "Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden."
Artikel 8:16, eerste lid, luidt: "Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden."
2. De zaak met nummer 201802455/1/A1 is op 8 maart 2019 ter zitting behandeld. [verzoeker] heeft zijn verzoek om wraking pas bij brief van 29 maart 2019, ingekomen bij de Raad van State op 1 april 2019, ingediend. Hetgeen [verzoeker] aan zijn verzoek ten grondslag legt, betreft feiten en omstandigheden die hem bekend waren op 8 maart 2019. Nu het wrakingsverzoek op 1 april 2019 bij de Afdeling is ingekomen, is het verzoek dus niet gedaan zodra de feiten en omstandigheden die [verzoeker] ten grondslag legt aan zijn verzoek, aan [verzoeker] bekend zijn geworden. [verzoeker] heeft aldus niet voldaan aan het in artikel 8:16, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste.
Om die reden komt de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke beslissing op het wrakingsverzoek en kunnen reeds hierom de aangevoerde gronden niet leiden tot inwilliging van het verzoek om wraking.
3. Het verzoek om wraking van de staatsraad moet daarom worden afgewezen.
Aldus uitgesproken in het openbaar door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Heinen, griffier.