ECLI:NL:RVS:2019:1222
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening legger oppervlaktewater waterschap Aa en Maas ondanks onderhoudsverplichting
Het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas stelde op 18 december 2017 de vierde partiële herziening van de legger oppervlaktewater vast, waarbij percelen in het natuurgebied Groot Goor te Helmond werden aangewezen met een onderhoudsverplichting. Appellant, erfgenaam van de eigenaar van deze percelen, verzette zich tegen deze herziening omdat deze voor hem extra onderhoudskosten zou betekenen.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij voerde onder meer aan dat de besluitvorming onvoldoende rechtsbescherming bood, dat de wijziging van de legger vooraf had moeten gaan aan een projectplan en dat de onderhoudsverplichting een onrechtmatige inbreuk op zijn eigendomsrecht vormde.
De Afdeling oordeelde dat de onjuiste ligging van de percelen in de eerdere uitspraak niet tot vernietiging leidt, dat de gronden tegen eerdere vergunningen en het bestemmingsplan in deze procedure niet aan de orde zijn, en dat het dagelijks bestuur niet verplicht was een projectplan vast te stellen voorafgaand aan de leggerwijziging. Ook werd geoordeeld dat de onderhoudskosten voor appellant gering zullen zijn en dat de aanwijzing als onderhoudsplichtige geen ontoelaatbare inbreuk vormt op zijn eigendomsrecht conform het Eerste Protocol bij het EVRM.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.