ECLI:NL:RVS:2019:1314

Raad van State

Datum uitspraak
24 april 2019
Publicatiedatum
24 april 2019
Zaaknummer
201806492/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevensArt. 35 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevensBeleidsregels VOG-NP-RP 2013 paragraaf 2.2Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 paragraaf 3Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 paragraaf 3.1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verklaring omtrent gedrag voor taxichauffeur na eerdere veroordelingen

Appellant vroeg een verklaring omtrent het gedrag (VOG) aan voor een chauffeurskaart als taxichauffeur, maar de minister weigerde deze vanwege eerdere justitiële antecedenten binnen de terugkijktermijn van vijf jaar, waaronder een veroordeling voor medeplegen hennepteelt en diefstal.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellant voerde aan dat zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat hij al jaren als taxichauffeur werkte, zwaarder meegewogen moesten worden dan het risico voor de samenleving.

De Raad van State oordeelde dat de minister terecht het belang van bescherming van de samenleving zwaarder heeft laten wegen dan het belang van appellant. De eerdere strafbare feiten, het geringe tijdsverloop sinds de meest recente veroordeling en het feit dat overtredingen zoals snelheidsovertredingen onverenigbaar zijn met het chauffeursberoep, rechtvaardigen de weigering.

De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG-aanvraag vanwege eerdere strafbare feiten en het zwaarder wegen van het belang van de samenleving.

Uitspraak

201806492/1/A3.
Datum uitspraak: 24 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 juni 2018 in zaak nr. 18/719 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister voor Rechtsbescherming.
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2017 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (lees: de minister voor Rechtsbescherming) de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.
Bij besluit van 28 december 2017 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. van ’t Land, advocaat te Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Azarkani, zijn verschenen.
Overwegingen
Wet- en regelgeving
1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2.    [appellant] heeft een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG voor een chauffeurskaart als taxichauffeur. De minister heeft in het kader van het objectieve criterium als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (hierna: de Beleidsregels) aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat [appellant] binnen de terugkijktermijn van vijf jaar voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS). In het JDS staan de volgende relevante justitiële gegevens:
- een veroordeling op 24 juli 2017 wegens het medeplegen van hennepteelt en diefstal in vereniging met braak tot een taakstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis;
- een bij strafbeschikking van 19 september 2016 opgelegde geldboete van € 450,- wegens het overschrijden van de maximumsnelheid.
Volgens de minister geeft een belangenafweging in het kader van het subjectieve criterium als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Beleidsregels geen aanleiding om, ondanks de strafbare feiten, tot afgifte van een VOG aan [appellant] over te gaan. Omdat binnen de terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, heeft de minister ook oudere gegevens uit het JDS bij de belangenafweging betrokken. Hieruit blijkt dat in 2008 met [appellant] vanwege openlijke geweldpleging een transactie overeen is gekomen.
Gronden hoger beroep
3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat een VOG ten onrechte is geweigerd. Zoals hij ter zitting heeft toegelicht, betwist hij niet dat aan het objectieve criterium is voldaan. Hij voert aan dat de minister in het kader van het subjectieve criterium zijn belang bij afgifte van een VOG zwaarder had moeten laten wegen dan het belang van bescherming van de samenleving. Er was geen sprake van handel in hennep, maar van teelt die zich, evenals de daarmee samenhangende diefstal van stroom, volledig in de privésfeer heeft afgespeeld. Bovendien heeft hij geen ontnemingsvordering opgelegd gekregen en zijn sinds de overtreding van de Opiumwet jaren verstreken waarin geen enkel incident heeft plaatsgevonden. Ook van belang is dat aan hem nog een VOG is afgegeven toen hij al verdacht werd van overtreding van de Opiumwet. Daarnaast moet onderscheid worden gemaakt tussen personen die, zoals hij, al met een VOG als chauffeur hebben gewerkt en personen die voor het eerst een VOG voor chauffeurswerkzaamheden vragen. Zes jaar lang heeft hij laten zien dat hij voldoet aan de integriteitseisen die aan de functie worden gesteld. Bij een nieuwe aanvraag om een VOG die, zoals in dit geval, in het kader van de continue screening van taxichauffeurs is ingediend, zou minder snel moeten worden overgegaan tot afwijzing dan bij een eerste aanvraag om een VOG. Verder is van belang dat hij de nodige investeringen heeft gedaan om als zelfstandig taxichauffeur te kunnen werken, dat hij kostwinner is en dat hij door zijn suikerziekte niet ieder werk kan doen, aldus [appellant].
Oordeel Afdeling
4.    De afgewezen aanvraag van [appellant] is naar aanleiding van de veroordeling voor het Opiumwetdelict ingediend in het kader van de continue screening van taxichauffeurs. Volgens paragraaf 2.2 van de Beleidsregels betreft continue screening de mogelijkheid om bij een taxichauffeur aan wie al een VOG en daarmee samenhangend een chauffeurskaart is verstrekt, voortdurend te beoordelen of zich relevante strafbare feiten hebben voorgedaan die vervolgens tot een verzoek om het opnieuw aanvragen van een VOG kunnen leiden. Na afwijzing van een nieuwe aanvraag om een VOG kan de chauffeurskaart worden ingetrokken. Aldus kan met continue screening worden voorkomen dat personen na het plegen van een relevant strafbaar feit kunnen blijven werken als taxichauffeur. In het licht daarvan hoefde de minister op zichzelf geen gewicht toe te kennen aan de omstandigheid dat het hier gaat om een aanvraag in het kader van de continue screening. Dat een aanvrager de betrokken functie al jarenlang heeft uitgeoefend, kan echter wel meewegen bij de belangenafweging in het kader van het subjectieve criterium en is ook in dit geval in dat kader door de minister meegewogen.
De minister hoefde in de door [appellant] aangevoerde persoonlijke omstandigheden geen aanleiding te zien om een VOG af te geven. Daarbij is van belang dat [appellant] meermaals strafbare feiten heeft gepleegd, dat het tijdsverloop sinds het meest recente antecedent - de veroordeling wegens onder andere overtreding van de Opiumwet - gering was en dat dit strafbare feit hem blijkens de opgelegde straf niet licht is aangerekend. Dat het Opiumwetdelict geen handel zou betreffen en in de privésfeer zou zijn gepleegd, neemt niet weg dat [appellant] bij het drugscircuit betrokken is geweest. Verder is van belang dat de snelheidsovertreding bij uitstek niet te verenigen is met de functie van taxichauffeur. Wat betreft de inwilliging van een eerdere aanvraag om afgifte van een VOG toen [appellant] reeds verdacht werd van overtreding van de Opiumwet, heeft de minister ter zitting toegelicht dat in verband met de gevolgen van een afwijzing toen niet is vooruitgelopen op de uitkomst van de strafzaak. Gelet hierop, acht de Afdeling het niet onredelijk dat de minister na de veroordeling het belang van bescherming van de samenleving zwaarder heeft laten wegen dan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG.
Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister afgifte van een VOG mocht weigeren. Het betoog faalt.
Conclusie
5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Proceskosten
6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.
w.g. Hoogvliet    w.g. De Vries
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2019
582-893.
BIJLAGE
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
Artikel 28
Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.
Artikel 35
1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
[…]
Beleidsregels VOG-NP-RP 2013
Paragraaf 2.2. Continue screening
Ten aanzien van taxikaarthouders […] kan het COVOG een continue screening uitvoeren […]. Het COVOG beoordeelt bij continue screening, naar aanleiding van signalen van JustID, de betrouwbaarheid van de personen binnen de desbetreffende beroepsgroep. De signalen bestaan uit mutaties in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS), waarop JustID doorlopend controleert. Het COVOG beoordeelt de signalen van JustID aan de hand van het objectieve en het subjectieve criterium. Indien het COVOG op basis van deze beoordeling tot het voorlopig oordeel komt dat een belemmering bestaat voor een behoorlijke uitoefening van de functie informeert het COVOG de desbetreffende toezichthouder daarover. De toezichthouder besluit vervolgens of hij de betrokkene verzoekt om een nieuwe VOG aan te vragen. Voor wat betreft het beoordelingskader (paragraaf 3) wordt de continue screening gelijkgesteld met reguliere VOG-aanvragen.
Paragraaf 3. Beoordeling van de aanvraag
[…] Aan de aanvrager die niet voorkomt in het JDS, wordt zonder meer een VOG afgegeven.
Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium (zie hieronder paragraaf 3.2 en 3.3).
Paragraaf 3.1. Terugkijktermijn
Bij de beoordeling van de justitiële gegevens wordt een terugkijktermijn in acht genomen. […]
Paragraaf 3.1.1. Periode terugkijktermijn
[…]
Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt het COVOG bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag. Aan deze strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig te worden betrokken bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van de zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.
Paragraaf 3.2. Het objectieve criterium
De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.
[…]
Paragraaf 3.2.3. Risico voor de samenleving
Bij de vaststelling van het risico voor de samenleving wordt een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.
Paragraaf 3.3. Het subjectieve criterium
Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.
[…]
Paragraaf 3.3.1. Omstandigheden van het geval
Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG.
Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:
- de afdoening van een strafzaak;
- het tijdsverloop;
- de hoeveelheid antecedenten.
Screeningsprofielen VOG NP
Taxibranche; chauffeurskaart
Dit screeningsprofiel heeft betrekking op aanvragen ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart bij KIWA. […] Bij de toets aan dit screeningsprofiel geldt een terugkijktermijn van vijf jaren.
De houder van de chauffeurskaart is verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van de passagiers. Eén van de risico’s is dat de veiligheid van de passagiers en de medeweggebruikers in gevaar wordt gebracht. Dit risico kan veroorzaakt worden door rijden onder invloed, overschrijding van de maximumsnelheid, gevaarlijk rijgedrag en/of agressief gedrag.
Als er een één op één relatie is, kunnen de passagiers in een tijdelijke afhankelijkheidspositie verkeren ten opzichte van de houder van de chauffeurskaart. Het risico bestaat van geweld- en zedendelicten, afpersing, chantage (afdreiging), diefstal, verduistering of vervalsing van bijvoorbeeld de chauffeurskaart. De houder van de chauffeurskaart is verantwoordelijk voor de veiligheid van goederen van de passagiers. Deze houders kunnen ook omgaan met contact en giraal geld. Het risico van diefstal en verduistering is aanwezig.
De houders van de chauffeurskaart komen in de uitoefening van hun functie vaak in aanraking met mensen in het uitgaanscircuit. Overtredingen van de Opiumwet zijn daarom onverenigbaar.