ECLI:NL:RVS:2019:1349
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht ondanks psychische en cognitieve beperkingen
De minister legde appellant een boete van €1.250 op wegens het niet voldoen aan de inburgeringsplicht binnen de gestelde termijn van 29 juni 2017, zoals bepaald in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering (Wi). Appellant voerde aan dat hij analfabeet is en psychomentale problemen en cognitieve beperkingen heeft, waardoor hij niet in staat was aan deze plicht te voldoen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister bij het opleggen van een boete een discretionaire bevoegdheid heeft en deze moet afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. Hoewel appellant stelde dat hem geen verwijt treft, kon hij niet aannemelijk maken dat hij zich voldoende heeft ingespannen om aan zijn plicht te voldoen. Hij overhandigde wel een brief van het Taalhuis en medische stukken, maar deze waren onvoldoende om verlenging of ontheffing te rechtvaardigen.
Appellant had niet tijdig om verlenging of ontheffing gevraagd en er was geen bewijs dat hij door onderwijsinstellingen was geweigerd. De medische stukken toonden niet aan dat zijn psychische problemen hem verhinderden te voldoen. De Afdeling zag geen reden om de behandeling aan te houden en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De boete blijft in stand en er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De boete van €1.250 wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht wordt bevestigd.