ECLI:NL:RVS:2019:1371

Raad van State

Datum uitspraak
25 april 2019
Publicatiedatum
25 april 2019
Zaaknummer
201809707/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Bij besluit van 7 november 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde en schadevergoeding toekende.

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De staatssecretaris voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat niet was meegewogen dat de vreemdeling had verklaard terug te willen keren.

De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt stelde dat een minder dwingende maatregel niet volstond, omdat de vreemdeling zich niet aan terugkeer had gehouden en geen acties had ondernomen om terug te keren. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

201809707/1/V3
Datum uitspraak: 25 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 28 november 2018 in zaak nr. NL18.21209 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 7 november 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 28 november 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.H.M. Ummels, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij bij de afweging of met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan, niet heeft meegewogen dat de vreemdeling heeft verklaard terug te willen keren.
1.1.    In het besluit is vermeld dat de wens van de vreemdeling om terug te keren niet leidt tot voortzetting van de minder dwingende maatregel van plaatsing in een verblijfsbeperkende locatie, omdat hij zich al twee keer niet heeft gehouden aan een opgelegd bevel tot onmiddellijke terugkeer, hij sinds zijn plaatsing op voormelde locatie geen acties heeft ondernomen om terug te keren en voor hem een vlucht op 15 november 2018 is geboekt. Hiermee heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat toepassing van een minder dwingende maatregel niet volstond om de beoogde uitzetting van de vreemdeling te verzekeren. Verder heeft de staatssecretaris terecht geen aanleiding gezien om de minder dwingende maatregel niettemin voort te zetten, omdat niet is gebleken van andere omstandigheden die de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend maken.
De grief slaagt.
2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 7 november 2018 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 28 november 2018 in zaak nr. NL18.21209;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.
w.g. Troostwijk    w.g. Snijders
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2019
279