ECLI:NL:RVS:2019:1384
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake wijziging verblijfsvergunning op humanitaire gronden
De vreemdeling had sinds 1997 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgenote, geldig tot oktober 2016. Hij vroeg in november 2014 om wijziging van deze vergunning naar een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden, maar deze aanvraag werd in februari 2015 afgewezen wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen. Dit besluit werd in september 2015 gehandhaafd.
De staatssecretaris was voornemens de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken vanaf september 2014, maar had dit nog niet uitgevoerd ten tijde van de bestreden uitspraak. Na een prejudiciële verwijzing aan het Hof van Justitie over de uitleg van de Gezinsherenigingsrichtlijn, gaf de staatssecretaris aan zijn praktijk aan te passen en de bijzondere omstandigheden van de vreemdeling opnieuw te beoordelen.
Uiteindelijk trok de staatssecretaris in augustus 2016 de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in, maar verleende de vreemdeling tegelijkertijd een nieuwe verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'artikel 8 EVRM Pro privéleven', eveneens vallend onder niet-tijdelijke humanitaire gronden. Hierdoor had de vreemdeling geen belang meer bij het hoger beroep, omdat de rechtsgevolgen van de verleende vergunning gelijk zijn aan die van de gevraagde wijziging.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.