ECLI:NL:RVS:2019:1402
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, die het beroep van een vreemdeling tegen een besluit tot vreemdelingenbewaring gegrond verklaarde en schadevergoeding toekende.
De vreemdeling was op 14 november 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank oordeelde dat de maatregel onrechtmatig was vanwege onvoldoende voortvarendheid bij de verlenging van de ophouding voorafgaand aan de bewaring. De staatssecretaris stelde hoger beroep in en de vreemdeling stelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk is omdat dit volgens de Vreemdelingenwet 2000 niet mogelijk is. Vervolgens vernietigde de Afdeling het oordeel van de rechtbank over de voortvarendheid omdat dit buiten het geschil viel en niet tot een openbare orde voorschrift behoort. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het beroep van de vreemdeling gegrond werd verklaard, waarmee de vreemdelingenbewaring rechtsgeldig werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarbij de uitspraak van de rechtbank is vernietigd.