ECLI:NL:RVS:2019:1410
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep staatssecretaris inzake verblijfsrecht vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 29 augustus 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsdocument af te geven af, omdat hij van mening was dat de vreemdeling niet het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan had verworven. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het besluit vernietigde, stelde de staatssecretaris zich bij een nieuw besluit van 23 juli 2018 alsnog op het standpunt dat de vreemdeling het verblijfsrecht toekomt.
De vreemdeling had aanvullend bewijs overgelegd, waaronder GPS-gecodeerde foto's, waaruit bleek dat hij ten minste drie maanden onafgebroken in Spanje bij zijn referent had verbleven. De staatssecretaris erkende op basis van deze aanvullende bewijsstukken het verblijfsrecht van de vreemdeling.
Omdat het verblijfsrecht nu erkend is en losstaat van de eerdere vernietiging van het besluit door de rechtbank, heeft de staatssecretaris geen belang meer bij het door hem ingestelde hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.