Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2019:1511

Raad van State

Datum uitspraak
9 mei 2019
Publicatiedatum
10 mei 2019
Zaaknummer
201903518/2/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 AwbArtikel 3 Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om wraking van de Raad van State afgewezen wegens gebrek aan individuele wrakingsgrond

Op 8 mei 2019 diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de Nederlandse Staat en alle leden van de Raad van State in verband met de behandeling van zaak nr. 201903518/1/A2. Het verzoek betrof vermeende belemmering van de rechtsgang door het niet honoreren van eerdere bezwaren en klachten.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vereist dat een wrakingsverzoek betrekking moet hebben op een individuele rechter vanwege feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid kunnen schaden. Een verzoek gericht tegen het gehele college kan niet als een wrakingsverzoek worden aangemerkt.

Omdat het verzoek zich richtte tegen de Afdeling als geheel, werd het verzoek niet in behandeling genomen. Daarnaast oordeelde de Afdeling dat verzoeker de bevoegdheid tot het indienen van wrakingsverzoeken oneigenlijk gebruikte en bepaalde zij dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

De beslissing werd uitgesproken op 9 mei 2019 door de voorzitter en leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek werd buiten behandeling gelaten omdat het gericht was tegen het gehele college en niet tegen een individuele rechter.

Uitspraak

201903518/2/A2.
Datum beslissing: 9 mei 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
om wraking (artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)).
Procesverloop
Bij elektronisch verzonden bericht, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2019, heeft [verzoeker] een verzoek om wraking van ‘de Nederlandse Staat, incl. alle leden van de Raad van State’ ingediend, onder vermelding van zaak nr. 201903518/1/A2. Met de behandeling van die zaak is staatsraad C.J. Borman belast.
Overwegingen
1.    Artikel 8:15 van Pro de Awb luidt: "Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.    Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2013 luidt: "De wrakingskamer kan zonder daartoe een zitting te houden beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het verzoek betrekking heeft op het college als zodanig."
3.    Het verzoek berust - zakelijk weergegeven - op het betoog dat alle leden van de Raad van State veelvuldig de rechtsgang hebben belemmerd door eerdere bezwaren, klachten en verzoeken van [verzoeker] niet te honoreren.
4.    Het verzoek om wraking is zowel uitdrukkelijk als naar zijn strekking gericht tegen alle leden van de Raad van State en daarmee de Afdeling bestuursrechtspraak als zodanig. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:1059) is de ratio van artikel 8:15 van Pro de Awb blijkens de wetsgeschiedenis gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Een wrakingsgrond dient dan ook gelegen te zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de staatsraad die de zaak behandelt. Het verzoek kan dan ook niet het rechterlijk college als zodanig betreffen. Nu het verzoek van [verzoeker] is gericht tegen de Afdeling als zodanig, wordt het niet aangemerkt als een verzoek om wraking in de zin van de wet en kan het om die reden niet in behandeling worden genomen.
5.    De Afdeling is, mede gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat [verzoeker] de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen oneigenlijk gebruikt. Daarom zal de Afdeling op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van [verzoeker] in de onderhavige zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
laat het verzoek buiten behandeling.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.
w.g. Troostwijk    w.g. Boer
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2019
745.