ECLI:NL:RVS:2019:1539
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning voor schuilgelegenheid buiten bouwvlak
In maart 2017 vroeg appellant een omgevingsvergunning aan voor een schuilgelegenheid voor paarden op een perceel in Kootwijkerbroek. Het college weigerde de vergunning omdat het bouwwerk buiten het bouwvlak lag en daarmee in strijd was met het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat de schuilgelegenheid niet vergunningvrij gebouwd kon worden vanwege overschrijding van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de oppervlakte van de reeds aanwezige bedrijfsgebouwen niet meegeteld mocht worden, omdat deze bedrijfsmatig zijn en het bestemmingsplan een grotere oppervlakte toestaat. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank terecht de totale oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken heeft meegeteld, conform het Besluit omgevingsrecht.
Verder stelde appellant dat het college de weigering niet redelijk had gemotiveerd en dat het ontbreken van een afwijkingenbeleid tot willekeur zou leiden. De Afdeling oordeelde dat het college beleidsruimte heeft en dat de weigering voldoende is gemotiveerd met verwijzing naar ruimtelijke adviezen die de aantasting van de openheid en kwaliteit van het buitengebied onderbouwen.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het incidenteel hoger beroep van het college vervalt omdat het hoger beroep van appellant niet gegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.