ECLI:NL:RVS:2019:1542
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening uitkering Schadefonds geweldsmisdrijven met schadevergoeding dader
De appellant, eigenaar van een fietshandel, werd slachtoffer van een poging tot doodslag waarbij hij ernstige lichamelijke en psychische letsels opliep, waardoor hij zijn beroep niet meer goed kan uitoefenen. Hij ontving een uitkering van €5.000 uit het Schadefonds geweldsmisdrijven (CSG). De dader werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €8.153,58 aan de appellant.
De CSG besloot de uitkering te verrekenen met de schadevergoeding die door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van de dader wordt geïnd. De appellant maakte bezwaar tegen deze verrekening omdat hij een hogere vergoeding wenste, gezien zijn blijvende beperkingen en psychisch letsel. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook in hoger beroep oordeelde de Raad van State dat de verrekening redelijk is.
De Raad van State overwoog dat het schadefonds een tegemoetkoming biedt en niet bedoeld is voor volledige schadevergoeding. De ernst van het letsel en de gevolgen daarvan zijn al meegenomen in de toegekende uitkering. De appellant kan in een aparte procedure een hogere vergoeding nastreven. Ook is het terecht dat de CSG van het horen in bezwaar mocht afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de verrekening van de uitkering met de schadevergoeding en verklaart het hoger beroep ongegrond.