ECLI:NL:RVS:2019:1585
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boetes voor kamergewijze verhuur in strijd met Huisvestingswet 2014
Appellant, eigenaar van woningen aan twee locaties in Amsterdam, kreeg tweemaal een bestuurlijke boete van €6000 opgelegd wegens het kamergewijs verhuren van zelfstandige woonruimtes die waren omgezet naar onzelfstandige woonruimtes. De gemeente constateerde dit tijdens inspecties waarbij bewoners verklaarden dat zij afzonderlijke kamers huurden met eigen huurcontracten en dat een derde huurder zou komen.
Appellant voerde aan dat de verklaringen van bewoners niet als bewijs mochten worden gebruikt en dat het omzetten van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte een gevolgdelict is dat nog niet voltooid was. Ook stelde hij dat de boete gematigd had moeten worden vanwege onduidelijkheid over regelgeving en het ontbreken van financieel voordeel.
De Raad van State oordeelde dat de verklaringen van bewoners in het bestuursrechtelijk kader wel als bewijs mogen dienen. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de zelfstandige woonruimtes waren omgezet naar onzelfstandige woonruimtes, mede gelet op de afgesloten kamers, afzonderlijke huurcontracten en gezamenlijke voorzieningen. Het beroep op een hospitasituatie faalde omdat de hoofdhuurder niet de gehele woning huurt.
Verder was appellant geacht op de hoogte te zijn van de geldende regelgeving en kon het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat appellant geen financieel voordeel had genoten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de boetes bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boetes van €6000 per woning wegens kamergewijze verhuur in strijd met de Huisvestingswet 2014.