ECLI:NL:RVS:2019:1591
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet tijdig genomen besluit en vaststelling dwangsom in vreemdelingenzaak
De vreemdeling had een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend die door de staatssecretaris op 6 juni 2017 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing werd bezwaar gemaakt, dat op 15 januari 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 19 september 2018 gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris nam echter geen nieuw besluit binnen de gestelde termijn, waarna de vreemdeling een beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van dit besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was omdat de staatssecretaris niet binnen twee weken na ingebrekestelling alsnog een besluit had genomen.
De Afdeling stelde een dwangsom vast van €1.442,- wegens de overschrijding van de beslistermijn en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van €512,-. Tegelijkertijd werd overwogen dat het hoger beroep van de staatssecretaris tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank gegrond was verklaard, waardoor geen verplichting meer bestond tot het nemen van een nieuw besluit.
Uitkomst: Het niet tijdig genomen besluit is vernietigd en een dwangsom van €1.442,- is vastgesteld.