ECLI:NL:RVS:2019:1622
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.J. van Eck
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en matiging bestuurlijke boete wegens overtredingen Wet particuliere beveiligingsorganisaties
De staatssecretaris legde aan appellante een bestuurlijke boete van € 11.250 op wegens meerdere overtredingen van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr), waaronder het inzetten van leidinggevenden zonder vereiste toestemming en het te werk stellen van beveiligers zonder toestemming en uniform.
Na bezwaar werd de boete verlaagd naar € 8.500, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat de boete voor het inzetten van leidinggevenden zonder toestemming terecht is opgelegd, ook al was er voor een andere leidinggevende wel toestemming.
De Afdeling oordeelde dat de minister terecht twee afzonderlijke boetes oplegde aan appellante en een zustervennootschap, omdat het om afzonderlijke organisaties gaat. Het betoog dat appellante onterecht tweemaal werd beboet voor dezelfde overtreding faalde.
Wel matigde de Afdeling de boete voor het te werk stellen van beveiligers zonder toestemming met 50%, omdat in vergelijkbare gevallen bij andere organisaties een mildere categorie en lagere boete werd toegepast. Ook werd de boete voor het niet dragen van een goedgekeurd uniform door beveiligers ingetrokken.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 27 oktober 2016 voor zover de boete op € 8.500 was gesteld, stelde de boete vast op € 4.750 en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete voor overtredingen van de Wpbr is gematigd van € 8.500 naar € 4.750 en het hoger beroep is gegrond verklaard.