Uitspraak
Datum uitspraak: 22 mei 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
De minister wees op 13 december 2016 een subsidieaanvraag van appellante af omdat het project niet voldeed aan de definitie van een demonstratieproject volgens de Beleidsregels. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, stellende dat de technologie niet nieuw was voor de Indiase markt en dat het project vooral promotionele activiteiten betrof.
Appellante stelde in hoger beroep dat haar project wel degelijk een nieuwe technologie introduceerde en dat de demonstraties noodzakelijk waren om export te bevorderen, niet louter promotie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het project geen demonstratieproject was. De Afdeling stelde vast dat de grijpers en hulpstukken van appellante nog niet op de Indiase markt aanwezig waren en dat het project gericht was op het realiseren van export binnen drie jaar.
Daarnaast werd geoordeeld dat het project niet uitsluitend promotionele activiteiten bevatte en dat de minister ten onrechte had gesteld dat de kosten van derden het maximum van 40% van de projectkosten overschreden. De Afdeling vernietigde het besluit van de minister en het vonnis van de rechtbank en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de beleidsregels. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de minister en het vonnis van de rechtbank worden vernietigd, en de minister moet een nieuw besluit nemen.