ECLI:NL:RVS:2019:165
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring na opzegging huurwoning op grond van Leegstandwet
Appellant heeft een urgentieverklaring aangevraagd nadat zijn huurwoning op grond van de Leegstandwet was opgezegd door een particuliere verhuurder. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet viel onder de in de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2015 opgenomen urgentiegronden. Ook de hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de situatie niet als schrijnend werd beoordeeld.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college de aanvraag terecht had afgewezen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk een urgent huisvestingsprobleem had vanwege de echtscheiding van de verhuurder en de onmogelijkheid om permanent bij zijn ouders te verblijven.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant niet voldeed aan de criteria van de urgente woonlasten of andere urgentiegronden en dat het college terecht de hardheidsclausule niet toepaste. De situatie van appellant en zijn kinderen werd niet als schrijnend beschouwd, mede omdat de kinderen een stabiel onderkomen bij hun moeder hebben.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.