ECLI:NL:RVS:2019:1657
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking permanente parkeervergunningen wegens wooncomplex met parkeervoorziening
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft op 14 juli 2017 het bezwaar van appellant tegen de intrekking van twee permanente parkeervergunningen ongegrond verklaard. De vergunningen waren in 2010 ten onrechte verleend omdat appellant woont in een complex met een bijbehorende parkeervoorziening. Als tegemoetkoming verleende het college twee tijdelijke vergunningen.
Appellant voerde aan dat het college onvoldoende rekening hield met de financiële gevolgen van de intrekking en dat hij het huis niet had gekocht als hij wist dat hij geen permanente vergunningen kon krijgen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college bevoegd was de vergunningen in te trekken op grond van het Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2017.
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het college niet gehouden was een fout uit 2010 voort te zetten en dat het algemeen belang prevaleert boven het financieel belang van appellant. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de permanente parkeervergunningen bevestigd.