ECLI:NL:RVS:2019:1674
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boeteoplegging wegens onvoldoende verwijtbaarheid bij overtreding Arbobesluit
De zaak betreft een boete opgelegd aan appellant wegens een arbeidsongeval waarbij een werknemer een open botbreuk opliep tijdens werkzaamheden aan een menger. De minister legde een boete van €21.600 op wegens overtreding van artikel 7.5 van het Arbobesluit. De staatssecretaris matigde deze boete met 25% tot €16.200. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de staatssecretaris heeft gevolgd dat appellant onvoldoende risico-inventarisatie en veilige werkwijze had ontwikkeld. De Afdeling stelt vast dat de risico's van afstelwerkzaamheden wel waren geïnventariseerd en dat de werkwijze waarbij de machine via een besturingspaneel wordt uitgeschakeld ook drukloos en spanningsloos maken omvatte. Tevens oordeelt de Afdeling dat adequate instructies en toezicht zijn gegeven.
Omdat appellant alle in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel genoemde inspanningen heeft geleverd, had de staatssecretaris moeten afzien van boeteoplegging wegens het ontbreken van verwijtbaarheid. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris voor zover de boete is vastgesteld, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.
Uitkomst: De boete wordt vernietigd omdat appellant alle vereiste inspanningen heeft geleverd en de overtreding haar niet kan worden verweten.