ECLI:NL:RVS:2019:1689

Raad van State

Datum uitspraak
23 mei 2019
Publicatiedatum
24 mei 2019
Zaaknummer
201902547/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring hoger beroep tegen vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding

De vreemdeling werd bij besluit van 22 februari 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde hij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 25 maart 2019 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze Afdeling oordeelde dat de klachten over opeenstapeling van gebreken tijdens de staandehouding, overbrenging en ophouding gegrond waren, overeenkomstig een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak.

De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende de vreemdeling een schadevergoeding toe van €4.560,00 over de periode van 20 februari tot en met 17 april 2019. Tevens werd de minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.792,00. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel reeds was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

201902547/1/V3.
Datum uitspraak: 23 mei 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2019 in zaak nr. NL19.4567 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 25 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Schoneveld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Over de in de grieven vermelde klachten over opeenstapeling van gebreken tijdens de staandehouding, overbrenging en ophouding, heeft de Afdeling bij uitspraak van 23 mei 2019, zaak nr. 201902530/1/V3, al een oordeel gegeven. De overwegingen van die uitspraak zijn ook van toepassing in deze zaak en daaruit volgt dat de grieven slagen.
2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 februari 2019 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven, is een daartoe strekkend bevel niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris, nu de minister van Justitie en Veiligheid, moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2019 in zaak nr. NL19.4567;
III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 4.560,00 (zegge: vierduizend vijfhonderdzestig euro) over de periode van 20 februari 2019 tot en met 17 april 2019, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.    veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.792,00 (zegge: zeventienhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Hoogvliet    w.g. Ahmady-Pikart
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2019
638-918.