ECLI:NL:RVS:2019:1690
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling vrijgelaten uit vreemdelingenbewaring met toekenning schadevergoeding
De vreemdeling was op 21 februari 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel op 25 maart 2019 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de klachten over de opeenstapeling van gebreken tijdens de staandehouding, overbrenging en ophouding gegrond waren, conform een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van de uitspraakdatum werd opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een schadevergoeding van €7.360 toegekend over de periode van 20 februari tot en met 22 mei 2019. Daarnaast werd de minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.792, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de vreemdelingenbewaring opgeheven en een schadevergoeding toegekend.