ECLI:NL:RVS:2019:1692
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt schadevergoeding wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 21 februari 2019 werd de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel op 25 maart 2019 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de klachten over de staandehouding, overbrenging en ophouding gegrond zijn, zoals eerder vastgesteld in een soortgelijke zaak. Hierdoor werd het hoger beroep kennelijk gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
De Afdeling verklaarde het beroep gegrond en kende de vreemdeling een schadevergoeding toe van €4.320,00 voor de periode van 20 februari tot en met 14 april 2019. Tevens werd de minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.792,00. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel reeds was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet meer nodig.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en een schadevergoeding toegekend aan de vreemdeling.