ECLI:NL:RVS:2019:1695
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling in hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 3 april 2017 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 13 november 2017 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling en referent stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 december 2018 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep werd echter als kennelijk ongegrond verklaard omdat het geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd.
De Raad van State veroordeelde de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en legde een griffierecht op. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 24 mei 2019 door een enkelvoudige kamer.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.