ECLI:NL:RVS:2019:1701

Raad van State

Datum uitspraak
29 mei 2019
Publicatiedatum
27 mei 2019
Zaaknummer
201600403/2/R2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 3a Besluit vergunningen Nbw 1998Natuurbeschermingswet 1998
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit en toekenning proceskostenvergoeding inzake Nbw-vergunning melkveehouderij

Het college van gedeputeerde staten van Utrecht verleende een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 aan een melkveehouderij te Harmelen. Coöperatie Mobilisation for the Environment (MOB) stelde dat het weiden van vee onterecht niet in de vergunning was betrokken, omdat het houden van vee in stallen en het weiden één project vormen dat in samenhang beoordeeld moet worden. Het college stelde dat het weiden van vee niet onlosmakelijk samenhangt met het stallen en dat het weiden van vee zonder vergunning kan plaatsvinden op grond van een uitzondering in het Besluit vergunningen Nbw 1998.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht geen vergunning voor het weiden van vee had verleend omdat het stalsysteem impliceert dat het vee permanent op stal staat. Indien het vee wordt beweid, gebeurt dat in strijd met de vergunning. De uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee zoals opgenomen in regionale verordeningen is onverbindend. Daarnaast stelde MOB dat het college ten onrechte de vergoeding van de kosten in bezwaar had afgewezen.

De Afdeling stelde vast dat het beroep gegrond is en vernietigde het besluit voor zover het de kostenvergoeding betreft. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de redelijke kosten van bezwaar en beroep, inclusief het griffierecht. Hiermee werd het belang van een juiste kostenvergoeding bij bestuursrechtelijke procedures benadrukt.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het college is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan MOB.

Uitspraak

201600403/2/R2.
Datum uitspraak: 29 mei 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen,
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2014, kenmerk 8103B599, heeft het college een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend aan de veehouderij [locatie] te Harmelen.
Bij besluit van 8 december 2015 heeft het college het door MOB hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 9 juli 2014 herroepen, en de vergunning verleend voor een gewijzigd veebestand.
Tegen dit besluit heeft MOB beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1.    Bij het bestreden besluit is een Nbw-vergunning verleend voor een melkveehouderij met een (gewijzigd) veebestand van 145 melkkoeien, in stalsysteem A1.100, en 135 stuks jongvee.
2.    MOB betoogt dat het weiden van vee ten onrechte geen onderdeel uitmaakt van de Nbw-vergunning. Volgens MOB vormen het houden van vee in stallen en het weiden van vee één project, waarvan de gevolgen voor Natura 2000-gebieden in samenhang moeten worden beoordeeld.
2.1.    Het college stelt zich in het verweerschrift van 20 mei 2016 op het standpunt dat het houden van vee in de stallen en het weiden van het vee niet onlosmakelijk samenhangen en daarom niet één project vormen. Het college heeft de emissie als gevolg van het beweiden door het bedrijf wel berekend, maar heeft het weiden van vee, dat het bedrijf wel doet, niet expliciet vergund. In het verweerschrift wordt gesteld dat het weiden van vee zonder vergunning kan plaatsvinden omdat dit inmiddels op grond van artikel 3a van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 is uitgezonderd van de vergunningplicht.
3.    De Afdeling overweegt dat vaststaat dat bij het bestreden besluit geen vergunning is verleend voor het weiden van vee. Over het weiden van vee heeft de Afdeling in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604 overwogen dat dit onlosmakelijk samenhangt met de oprichting, uitbreiding of exploitatie van een melkveehouderij indien het gaat om een melkveehouderij die het vee niet permanent op stal heeft staan, maar het vee beweidt. Voor de vraag of het college het weiden van vee bij de vergunningverlening had moeten betrekken is dan ook van belang of het vee op het bedrijf [locatie] te Harmelen in de aangevraagde situatie permanent op stal zal staan of dat het zal worden beweid.
3.1.    Uit een tabel die deel uitmaakt van de vergunning volgt welke emissiefactor per stal is toegepast voor de berekening van de emissie door het houden van het vee in de stallen. Hierbij is gebruik gemaakt van de emissiefactoren die in de Regeling ammoniak en veehouderij voor verschillende stalsystemen zijn vastgesteld. In de tabel is bij het stalsysteem A1.100 een emissiefactor van 13 kg NH3 per jaar vermeld. Dat is de emissiefactor die geldt voor een stalsysteem waarbij het vee permanent op stal staat. Het bedrijf heeft dus een Nbw-vergunning voor een veehouderij met een stalsysteem dat impliceert dat het vee permanent op stal staat.
3.2.    Omdat de aangevraagde en vergunde bedrijfsvoering niet het weiden van vee omvat, bestond er voor het college geen aanleiding de gevolgen van het weiden van vee bij het bestreden besluit te betrekken.
Het betoog slaagt niet.
4.    Als het bedrijf het vee beweidt, zoals het college stelt, dan gebeurt dat in afwijking van de verleende vergunning. Zoals volgt uit de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, is de uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee die in de Omgevingsverordening van Gelderland en Limburg is opgenomen onverbindend. Datzelfde geldt voor artikel 2 van Pro de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017, nog daargelaten dat in de hiervoor genoemde uitspraak ook is vastgesteld dat het weiden van vee bij een bedrijf dat een vergunning heeft voor een melkveehouderij met een stalsysteem dat impliceert dat het vee permanent op stal staat, niet onder de uitzondering van de vergunningplicht viel.
Als het bedrijf het vee wil beweiden, dan heeft het daarvoor een Wnb-vergunning nodig voor de wijziging van de exploitatie van de melkveehouderij die mede het weiden omvat.
Kosten bezwaarfase
5.    MOB betoogt voorts dat het college ten onrechte het verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, heeft afgewezen.
5.1.    Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat geen aanspraak bestaat op vergoeding van de kosten die MOB in bezwaar heeft gemaakt. In het verweerschrift erkent het college dat MOB wel aanspraak kan maken op deze vergoeding.
Het betoog slaagt.
Conclusie
6.    Het beroep is kennelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover het de weigering betreft de kosten te vergoeden die MOB in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.
6.1.    De Afdeling zal de hoogte van de vergoeding voor de kosten in bezwaar vaststellen. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van dit bedrag te worden veroordeeld.
7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het beroep gegrond;
II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 8 december 2015, kenmerk 817262B0, voor zover daarbij het verzoek van de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, is afgewezen;
III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.    verstaat dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Uylenburg    w.g. Verbeek
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van Pro de Awb).
-     Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
-     In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
-     Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.
388.