ECLI:NL:RVS:2019:1704
Raad van State
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering handhaving zonder vergunning weiden en bemesten in Natura 2000-gebieden
Het college van gedeputeerde staten van Utrecht weigerde handhavend op te treden tegen het zonder vergunning weiden van vee en bemesten van gronden door drie agrarische bedrijven. Dit was gebaseerd op een uitzondering in artikel 3a van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 die deze activiteiten vrijstelde van vergunningplicht.
MOB en Leefmilieu stelden echter dat deze uitzondering in strijd is met artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dit en oordeelde dat de uitzondering onverbindend is, zoals ook eerder geoordeeld in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RVS:2019:1604). Hierdoor kon het college het besluit niet baseren op deze uitzondering en handelde het in strijd met artikel 7:12 Awb Pro.
De Afdeling vernietigde het besluit en gaf het college de opdracht om een nieuw besluit te nemen waarbij de bedrijven eerst de gelegenheid krijgen om vergunningaanvragen in te dienen voor het weiden en bemesten. Het college moet binnen drie maanden na het bieden van deze gelegenheid een besluit nemen, uiterlijk 1 februari 2020, zodat duidelijkheid ontstaat voor het bemestingsseizoen.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan MOB en Leefmilieu. De uitspraak benadrukt dat de bedrijven geen verwijt treft voor het ontbreken van vergunningen, gezien het eerdere standpunt van de bevoegde gezagen en de latere onrechtmatigheid van de vergunningvrijstelling.
Uitkomst: Het besluit van het college om niet handhavend op te treden is vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen na vergunningaanvragen.