ECLI:NL:RVS:2019:1706

Raad van State

Datum uitspraak
29 mei 2019
Publicatiedatum
27 mei 2019
Zaaknummer
201509069/2/R2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 HabitatrichtlijnArt. 19d Nbw 1998Art. 19kh Nbw 1998Art. 2 Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstofArt. 7:12 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit vergunningverlening veehouderij wegens onjuiste toepassing PAS

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland verleende aanvankelijk een vergunning voor een veehouderij in Polsbroek. Na bezwaar verklaarde het college de vergunningaanvraag niet-ontvankelijk omdat de stikstofdepositie onder de grenswaarde van 1 mol N/ha/jr zou blijven, op basis van het Programma Aanpak Stikstof (PAS).

Appellanten, Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu, stelden dat deze uitzondering op de vergunningplicht in strijd is met de Habitatrichtlijn omdat de passende beoordeling van het PAS niet aan de eisen van artikel 6 voldoet Pro. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dit oordeel en verklaarde het relevante besluit onverbindend.

Daarmee kon het college zich niet beroepen op de uitzondering voor activiteiten met stikstofdepositie onder de grenswaarde. Het bestreden besluit werd vernietigd omdat het in strijd was met artikel 19d van de Nbw 1998 en artikel 7:12 van Pro de Awb. De zaak werd terugverwezen naar het bevoegde college van gedeputeerde staten van Utrecht voor een nieuwe beslissing. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de vergunning wordt vernietigd.

Uitspraak

201509069/2/R2.
Datum uitspraak: 29 mei 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu, beide gevestigd te Nijmegen,
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2015 heeft het college een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de veehouderij [locatie] in Polsbroek.
Bij besluit van 29 oktober 2015, kenmerk ODH-2015-00719101, heeft het college het bezwaar van MOB en Leefmilieu tegen dat besluit gegrond verklaard en de aanvraag voor de vergunning alsnog afgewezen omdat geen vergunning is vereist.
Tegen dit besluit hebben MOB en Leefmilieu beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1.    Het college heeft bij het bestreden besluit toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: PAS) en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 juli 2015 van kracht is. De exploitatie van de veehouderij is op grond van die regelgeving uitgezonderd van de vergunningplicht, omdat de veehouderij stikstofdepositie veroorzaakt die de vastgestelde grenswaarde van 1 mol N/ha/jr niet overschrijdt. De aanvraag voor de vergunning is afgewezen omdat niet langer een vergunning is vereist.
2.    MOB en Leefmilieu betogen dat het college ten onrechte onder verwijzing naar de uitzondering op de vergunningplicht de aanvraag alsnog heeft afgewezen. MOB en Leefmilieu stellen dat de uitzondering op de vergunningplicht in strijd is met de Habitatrichtlijn omdat de passende beoordeling die aan de regeling en het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn voortvloeien.
3.    Op grond van artikel 19kh, zevende lid, van de Nbw 1998 is een activiteit die uitsluitend vanwege het aspect stikstof vergunningplichtig is, uitgezonderd van de vergunningplicht als de activiteit stikstofdepositie veroorzaakt die een vastgestelde grenswaarde niet overschrijdt.
In artikel 2, eerste lid, van het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof is de grenswaarde vastgesteld op 1 mol per hectare per jaar.
4.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn voortvloeien. Zij heeft voorts geoordeeld dat artikel 2 van Pro het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof, waarin de grenswaarde van 1 mol per hectare per jaar is opgenomen onverbindend is.
5.    Het voorgaande betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat er geen grenswaarde heeft gegolden en dat geen toepassing kon worden gegeven aan de uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken die de grenswaarde niet overschrijden. Het college heeft zich in het bestreden besluit dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor de exploitatie van de veehouderij [locatie] in Polsbroek geen Nbw-vergunning is vereist.
Het betoog slaagt. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De overige beroepsgronden behoeven thans geen bespreking.
6.    Het beroep is kennelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
7.    De Wet natuurbescherming is van toepassing op de nieuwe beslissing op bezwaar. Omdat de aanvraag betrekking heeft op een veehouderij die gevestigd is in de provincie Utrecht, is het college van gedeputeerde staten van Utrecht thans bevoegd om te beslissen.
8.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het beroep gegrond;
II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 29 oktober 2015, kenmerk ODH-2015-00719101;
III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland  tot vergoeding van bij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Uylenburg    w.g. Verbeek
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van Pro de Awb).
-     Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
-     In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
-     Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.
388.