ECLI:NL:RVS:2019:1727
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning voor aanbouw ondanks bezwaren over bezonning en uitzicht
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende een omgevingsvergunning voor het splitsen van een woning in twee woningen en het realiseren van een aanbouw aan de achtergevel op de eerste verdieping. Appellant, eigenaar van een aangrenzende woning, maakte bezwaar vanwege vermeende onevenredige belangenbeschadiging door afname van bezonning, uitzicht en privacy.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het college de vergunning in redelijkheid had mogen verlenen en dat het project niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. Appellant stelde in hoger beroep dat de bezonningsafname ernstiger was dan aanvankelijk ingeschat en verwees naar een beleidsregel voor dakopbouwen, die volgens hem van toepassing was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de beleidsregel dakopbouwen niet van toepassing is omdat het bestemmingsplan al een regeling voor dakopbouwen bevat en de aanbouw niet als dakopbouw kan worden aangemerkt. Het college had beleidsruimte bij de afweging en mocht zich baseren op de Haagse bezonningsnorm, die nog steeds werd gehaald. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning bevestigd.