ECLI:NL:RVS:2019:1755
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.A. Hagen
- S.J.E. von Horstink-von Meyenfeldt
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Vergunning voor ontgronding bouwterrein Zeewolde niet onrechtmatig ondanks bezwaren waterhuishouding en bodemopbouw
Het college van gedeputeerde staten van Flevoland verleende vergunning voor ontgronding van een perceel in Zeewolde ten behoeve van woningbouwprojecten. Appellante, exploitant van een aangrenzend akkerbouwbedrijf, stelde dat de vergunning onrechtmatig was vanwege onvoldoende betrokkenheid van waterhuishoudkundige gevolgen, risico op opbarsten van de kleilaag, onjuiste bodemopbouw en verminderde bergingscapaciteit.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college terecht heeft geoordeeld dat sprake is van een secundaire ontgronding en dat de vergunningvoorschriften de ontgrondingsdiepte en hoeveelheid klei adequaat begrenzen. De bezwaren over het risico van opbarsten werden niet gevolgd, mede omdat deskundigenrapporten en metingen een voldoende dikke kleilaag en representatieve grondwaterstanden aantonen.
Ook de stellingen over onjuiste bodemopbouw en verminderde bergingscapaciteit werden verworpen. De Afdeling vond dat het college de vergunning zorgvuldig heeft voorbereid en dat de bezwaren onvoldoende onderbouwd zijn om de vergunning te weigeren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor ontgronding wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.