ECLI:NL:RVS:2019:1798
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 4 april 2018 een aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 22 oktober 2018 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 18 april 2019 gegrond, vernietigde het besluit en beval de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren zolang het hoger beroep loopt. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitspraak van de rechtbank niet strekt tot het direct verlenen van de vergunning en dat uitvoering van de uitspraak geen onherstelbare gevolgen of onevenredige inspanning met zich brengt. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd de minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit kosten van professionele rechtsbijstand.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.