ECLI:NL:RVS:2019:1803
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen huisverbod burgemeester Den Haag
Het geding betreft het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraken van de rechtbank van 15 en 23 mei 2019 over het huisverbod dat de burgemeester van Den Haag op 9 mei 2019 oplegde en op 17 mei 2019 verlengde.
De voorzieningenrechter benadrukt het voorlopige karakter van zijn oordeel en erkent de ruime beoordelingsvrijheid van de burgemeester bij het nemen van dergelijke besluiten. Het incident op 8 mei 2019 vormde een voldoende grondslag voor het opleggen van het huisverbod. De keuze om verzoeker het huis te laten verlaten werd als redelijk beoordeeld, ondanks zijn bijzondere omstandigheden zoals het gebruik van een rolstoel en de aangepaste woning.
De burgemeester had passende opvanglocaties geregeld die toegankelijk waren voor rolstoelgebruikers en alternatieven voor het opladen van de scootmobiel aangeboden. Omdat de oorspronkelijke periode van het huisverbod was verstreken, ontbrak het spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening. Ook de verlenging van het huisverbod op 17 mei 2019 werd als redelijk beoordeeld vanwege de onstabiele relatie tussen verzoeker en zijn vrouw.
De voorzieningenrechter gaf aan dat het huisverbod zo snel mogelijk moet worden opgeheven zodra de vrouw vertrekt en de zoon het huis heeft verlaten, zodat verzoeker kan terugkeren.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het huisverbod is afgewezen vanwege voldoende belangenafweging en het ontbreken van spoedeisend belang.