ECLI:NL:RVS:2019:1804

Raad van State

Datum uitspraak
4 juni 2019
Publicatiedatum
4 juni 2019
Zaaknummer
201803077/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in hoger beroep

Bij besluiten van 1 november 2016 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van twee vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verkrijgen afgewezen. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten, maar deze bezwaren werden op 14 en 22 juni 2017 door de staatssecretaris ongegrond verklaard.

De vreemdelingen stelden vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 maart 2018 de beroepen gegrond verklaarde, de besluiten vernietigde en de staatssecretaris opdroeg nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak. De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het hoger beroep van de staatssecretaris geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en wordt het griffierecht vastgesteld.

Deze uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige besluitvorming in vreemdelingenzaken en benadrukt de beperkte toetsingsruimte van de bestuursrechter bij de beoordeling van dergelijke besluiten.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond.

Uitspraak

201803077/1/V1.
Datum uitspraak: 4 juni 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 15 maart 2018 in zaken nrs. 17/12144 en 17/12342 in het geding tussen:
[de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 1 november 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluiten van 14 juni 2017 en 22 juni 2017 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 maart 2018 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat te Arnhem, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris, nu de minister van Justitie en Veiligheid, moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
III.    bepaalt dat van de minister van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.
w.g. Wissels    w.g. Oei
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2019
670-899.