ECLI:NL:RVS:2019:1815

Raad van State

Datum uitspraak
5 juni 2019
Publicatiedatum
5 juni 2019
Zaaknummer
201807933/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening intrekking ligplaatsvergunning na overlijden vergunninghouder

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft het college de ligplaatsvergunning van de vergunninghouder ingetrokken wegens langdurig niet-gebruik. De vergunninghouder verzocht in 2017 om herziening van dit besluit, maar dit werd door het college afgewezen. Tijdens de bezwaarprocedure overleed de vergunninghouder, waarna het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde omdat het procesbelang verviel en de gemachtigde geen belanghebbende was.

De gemachtigde, tevens mede-eigenaar van de woonboot, stelde beroep in bij de rechtbank en voerde aan dat hij de procedure mocht voortzetten als rechtsopvolger en mede-eigenaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat geen rechtsregel bestaat die hem als gemachtigde na overlijden van de vergunninghouder het recht geeft de procedure voort te zetten.

In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak deze uitspraak. De Afdeling oordeelt dat de erfgenamen niet hebben aangegeven dat zij wensen dat de gemachtigde de procedure voortzet en dat het verkrijgen van een ligplaatsvergunning op naam van de gemachtigde niet via deze procedure kan worden bewerkstelligd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201807933/1/A3.
Datum uitspraak: 5 juni 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2018 in zaak nr. 18/410 in het geding tussen:
[appellant]
en
het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel centrum (nu: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam; beide organen verder te noemen: het college).
Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2017 heeft het college het verzoek van [persoon] om terug te komen op het besluit van 28 juni 2010 tot intrekking van de aan hem verleende ligplaatsvergunning afgewezen.
Bij besluit van 17 januari 2018 heeft het college het door [persoon] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 14 september 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.    Bij besluit van 12 oktober 2006 heeft het college een ligplaatsvergunning verleend aan [persoon] voor de [woonboot], [locatie] te Amsterdam. Bij besluit van 28 juni 2010, bekendgemaakt op 18 april 2017, heeft het college deze vergunning ingetrokken, omdat de locatie vanaf 2006 ongebruikt was gebleven. Bij brief van 15 april 2017 heeft [persoon] het college verzocht terug te komen op de intrekking van de ligplaatsvergunning, omdat hij van plan was de [woonboot] weer op de locatie aan te meren of tot een ligplaatsruil over te gaan. Het college heeft dit verzoek bij het besluit van 8 juni 2017 afgewezen. [persoon] is in augustus 2017 tijdens de bezwaarfase overleden. Het college heeft bij het besluit van 17 januari 2018 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat [persoon]s procesbelang met diens overlijden is komen te vervallen en zijn gemachtigde [appellant] volgens het college geen belanghebbende is. [appellant] heeft beroep ingesteld bij de rechtbank omdat hij de procedure als mede-eigenaar van de [woonboot], dan wel als rechtsopvolger van [persoon], dan wel als gemachtigde van de erfgenamen wenst voort te zetten ter verkrijging van een op zijn eigen naam gestelde ligplaatsvergunning.
Hoger beroep
2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens [appellant] hebben de erfgenamen van [persoon] per e-mail van 14 december 2017 te kennen gegeven dat zij willen dat [appellant] de procedure voortzet en hun belang behartigt, daarin gelegen dat het ontbreken van een ligplaatsvergunning een negatieve invloed heeft op de omvang van de boedel. Daarnaast volgt zijn belanghebbendheid uit het feit dat hij mede-eigenaar van de [woonboot] en rechtsopvolger van [persoon] is. Gelet hierop en de overdraagbaarheid van ligplaatsvergunningen in aanmerking genomen had het college terug moeten komen op de intrekking van de aan [persoon] verleende ligplaatsvergunning en de ligplaatsvergunning op zijn naam moeten zetten, aldus [appellant].
Beoordeling
3.    De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2117, waaruit valt af te leiden dat rechtsmiddelen tegen een besluit waarvan de geadresseerde is overleden, alleen door diens erfgenamen dan wel de gemachtigde van de overledene met toestemming van de erfgenamen aangewend kunnen worden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de e-mail van 14 december 2017 van de executeur-testamentair namens de erfgenamen aan de secretaris van de bezwaarschriftencommissie niet volgt dat deze de wens hadden om de procedure in hun belang voort te zetten. Zij hebben te kennen gegeven dat het geen zaak is voor de erfgenamen maar een zaak tussen wijlen [persoon] en [appellant]. Dat het al dan niet bezitten door [appellant] van een ligplaatsvergunning voor de woonboot van invloed is op de omvang van de boedel voor de erfgenamen maakt dit niet anders. Het is niet alleen de vraag of de erfgenamen nog belang hadden bij de onderhavige procedure, maar ook of zij wensten dat belang in de procedure vertegenwoordigd te zien. Dit blijkt niet uit de e-mail van 14 december 2017.
3.1.       [appellant] wordt niet gevolgd in het standpunt dat hij als rechtsopvolger dan wel mede-eigenaar van de [woonboot] in de procedure als procespartij in de plaats van [persoon] is getreden. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat geen rechtsregel bestaat op grond waarvan [appellant] als gemachtigde van [persoon] na diens overlijden op eigen titel kon doorprocederen. Met het door [persoon] ingediende bezwaar werd beoogd het college ertoe te bewegen terug te komen op de afwijzing van diens verzoek om terug te komen op het intrekkingsbesluit van 28 juni 2010 zodat de vergunning opnieuw aan [persoon] verleend zou worden. Deze vergunning zou dan echter [persoon] en niet [appellant] hebben betroffen, zodat laatstgenoemde niet als belanghebbende in deze procedure als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aangemerkt kan worden. [appellant] kan het verkrijgen van een op zijn naam gestelde ligplaatsvergunning voor de [woonboot] dan ook niet met deze procedure bewerkstelligen.
3.2.    Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Slotsom
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Langeveld-Mak
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2019
317-898.