ECLI:NL:RVS:2019:1843
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onrechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel aan vreemdeling in grensprocedure
De vreemdeling kreeg bij besluit van 5 oktober 2018 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het kader van een afgewezen asielverzoek in de grensprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel gebaseerd kon zijn op artikel 6, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zonder rekening te houden met de vereisten van artikel 8, derde lid, van de Opvangrichtlijn. Uit het arrest Gnandi en de beschikking C., J. en S. volgt dat vrijheidsontneming tijdens de rechtsmiddelentermijn niet op grond van de Terugkeerrichtlijn is toegestaan en dat de toepasselijke wettelijke grondslag ontbreekt.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling kreeg recht op een schadevergoeding van €3.040,00 en de minister van Justitie en Veiligheid werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.304,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.